docent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
docent

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·cent
enkelvoud meervoud
naamwoord docent docenten
verkleinwoord docentje docentjes

Zelfstandig naamwoord

docent m [1]

  1. (onderwijs), (beroep) iemand die les geeft (bij het voortgezet of hoger onderwijs)
    Hij is universitair docent in Leiden.
    Docenten van de muziekschool gaven een concert.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal