gezel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezel gezellen
verkleinwoord gezelletje gezelletjes

Zelfstandig naamwoord

gezel m

  1. makker, reisgenoot
  2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
  3. (beroep) handwerksman die als knecht onder een baas werkt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl