liggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lig·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: licghen
Oudnederlands: liggen
Germaans: *ligjanan
Indo-Europees: *legʰ-.
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: lie (Angelsaksisch: licgan), Duits: liegen, (Oudhoogduits: liggen), Fries: lizze (Oudfries: lidzia)
Noord: Zweeds: ligga, Deens/Noors: ligge, (Nynorsk: ligga, liggja, liggje, Oudnoors: liggja), IJslands: liggja
Oost: Gotisch: ligan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
liggen
/'lɪɣə(n)/
lag
/lɑx/
gelegen
/ɣə'leɣə(n)/
klasse 5 volledig

Werkwoord

liggen

  1. (inergatief) zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
    Hij heeft een tijdje op bed gelegen.
  2. (ergatief) op een bepaalde plaats bevinden
    Dat is mooi gelegen daar.
  3. (hulpwerkwoord) ~ te: duratief hulpwerkwoord: iets doen terwijl men ligt
    Hij lag vredig te dromen toen de bliksem insloeg.
    Hij heeft daar nog lang over liggen nadenken.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] Voor de hand liggen.

  • Vanzelfsprekend zijn.

[1] Dubbel liggen.

Opmerkingen
  • [3] In samengestelde tijden vervalt te.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. http://www.woorden-boek.nl/woord/dubbel
  2. http://books.google.de/books?id=mmhHk5jJDwUC&lpg=PA54&ots=v2b7IQzUMl&dq=%22dubbel%20liggen%22%20lachen&pg=PA54#v=onepage&q=%22dubbel%20liggen%22%20lachen&f=false