holde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hol·de

Werkwoord

vervoeging van
hollen

holde

  1. enkelvoud verleden tijd van hollen
    Ik holde.
    Jij holde.
    Hij, zij, het holde.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hol·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord halda.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
holde
holder
holdt
holdt
onregelmatig

Werkwoord

holde

  1. (onovergankelijk) verdragen, uithouden, tegenhouden
    «Hvordan var det mulig for nordmennene å holde Hegra festningen i hele 25 dager mot tyskerne?»
    Hoe was het mogelijk voor de Noren om het Hegra-fort voor een totaal van 25 dagen tegen de Duitsers te weren?
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • holde til

Werkwoord

holde tett

  1. (onovergankelijk) stilhouden, zwijgen
    «Fram til nå har de valgt å holde tett om funnet.»
    Tot nu toe hebben ze ervoor gekozen om te zwijgen over de ontdekking.

Werkwoord

holde til

  1. (onovergankelijk) (mensen) gevestigd zijn, wonen
    «Han holder til på Geulle.»
    Hij is gevestigd in Geulle.
  2. (onovergankelijk) (een bedrijf of praktijk) liggen
    «Sin praksis holder til på Neerbeek.»
    Zijn praktijk is gelegen in Neerbeek.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hol·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudnoorse naamwoord hold.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
holde
holdar
holda
holda
Klasse 1 zwak

Werkwoord

holde seg

  1. (wederkerend) aankomen, in gewicht toenemen
Schrijfwijzen