gelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • ge·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelig geliger geligst
verbogen gelige geligere geligste
partitief geligs geligers -

Bijvoeglijk naamwoord

gélig

  1. een beetje geel.
    • Na zijn val had zijn gezicht iets geligs. 
  2. op geel lijkend.
    • Dit groen is bijna gelig. 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord gelig -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelíg o

  1. het liggen, met een negatieve bijklank.
    • Dat gelig van jou de hele dag, daar wordt ik echt heel moe van. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.