knoop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1]: knoop
[3]: knoop

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knoop
enkelvoud meervoud
naamwoord knoop knopen
verkleinwoord knoopje knoopjes

Zelfstandig naamwoord

knoop m

  1. (textielindustrie), (scheepvaart) een vastgetrokken lus in garen, draad, koord of touw om daarin een verdikking te maken, om einden ervan aan elkaar te bevestigen of ter bevestiging aan een ander voorwerp of weefsel
    • Aan beide einden van het springtouw zit een knoop zodat het niet zo gauw uit de hand zal schieten. 
  2. (scheepvaart), (eenheid) een snelheidsmaat die in de zeevaart gebruikt wordt
    • Een knoop is een zeemijl per uur, ongeveer 1,8 kilometer per uur. 
  3. (textielindustrie), (kleding) een meestal schijfvormig voorwerp met draden vastgezet op een kledingstuk ter afsluiting daarvan
    • De knoop was van zijn blouse gesprongen. 
  4. vloek
    • Hij legde er een knoop op. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • knoop in je zakdoek
als geheugensteuntje
  • de gordiaanse knoop doorhakken
een probleem oplossen door een onverwachte maatregel
  • de eindjes aan elkaar moeten knopen
arm zijn
  • de knopen aan zijn jas tellen
hij weet niet te kiezen, een aftelversje moet de beslissing brengen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
knopen

knoop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knopen
    • Ik knoop. 
  2. gebiedende wijs van knopen
    • Knoop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knopen
    • Knoop je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie