knot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knot
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bosje haar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord knot knotten
verkleinwoord knotje knotjes

Zelfstandig naamwoord

knot v/m

  1. rond zichzelf opgewonden draad of bundel draden, vezels of haar
    • Mijn oma droeg haar prachtige haar, dat langer was dan zijzelf, altijd op een knot. 
  2. (vogels) kanoetstrandloper

Werkwoord

vervoeging van
knotten

knot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van knotten
  2. gebiedende wijs van knotten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
knot knots

Zelfstandig naamwoord

knot

  1. knoop
  2. (vogels) kanoetstrandloper