knot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knot
enkelvoud meervoud
naamwoord knot knotten
verkleinwoord knotje knotjes

Zelfstandig naamwoord

knot v/m

  1. rond zichzelf opgewonden draad of bundel draden, vezels of haar
    Mijn oma droeg haar prachtige haar, dat langer was dan zijzelf, altijd op een knot.
  2. (vogels) kanoetstrandloper

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
knot knots

Zelfstandig naamwoord

knot

  1. knoop
  2. (vogels) kanoetstrandloper