knopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kno·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knopen
knoopte
geknoopt
zwak -t volledig

Werkwoord

knopen

  1. (overgankelijk) een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
    Hij was het net aan het knopen.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Knoop dat in je oren!
Vergeet dat nooit meer!
  • De eindjes (stukjes touw) aan elkaar knopen.
Van armoede zich moeten behelpen.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

knopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord knoop