jongen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een schilderij van een jongen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jon·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mannelijk kind’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1479 [1]

Zelfstandig naamwoord

jongen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jonge
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord jong
    • De kat heeft jongen geworpen. 
enkelvoud meervoud
naamwoord jongen jongens
verkleinwoord jongetje jongetjes

Zelfstandig naamwoord

jongen m

  1. onvolwassen man [2]
    • Een jongen op een bromfiets reed door de straat. 
     Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon. Een bijrolletje in de historie van La Planche is genoeg. Morgen mogen de mooie jongens.[3]
     Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.[4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jongen
jongde
gejongd
zwak -d volledig

Werkwoord

jongen [5]

  1. inergatief (van dieren) nageslacht ter wereld brengen
    • Onze teef heeft zojuist gejongd. 
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen