leerjongen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

leerjongen wrijft de verf voor de schilder
Uitspraak
Woordafbreking
  • leer·jon·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leerjongen leerjongens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leerjongen m [1]

  1. jongen die al werkend een vak of ambacht leert
    • ‘Zo heb ik besloten om in China een opleiding tot chef-kok te volgen. Op de koksschool of als leerjongen leer je natuurlijk meer dan als je thuis altijd weer dezelfde dingen klaarmaakt. Je verbreedt je smaak, je leert nieuwe technieken. Ik heb veel bijgeleerd van een Chinese chef die in Japan en Indonesië had gewerkt. Nu moeten ze mijn keuken niet meer afpakken.’[2] 
    • Orhan Pamuk vlecht een oosterse en een westerse vader-zoontragedie in elkaar in zijn roman over een obstinate puttengraver en zijn leerjongen. Boordevol symboliek is dit nieuwe hoogtepunt in het toch al rijke oeuvre van de Turkse Nobelprijswinnaar.[3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen