straatjongen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

standbeeld van een straatjongen het 'lieverdje'
Uitspraak
Woordafbreking
  • straat·jon·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord straatjongen straatjongens
verkleinwoord straatjongetje straatjongetjes

Zelfstandig naamwoord

straatjongen m [1]

  1. een jongen die veel langs de straten zwerft en brutaal en baldadig is
    • In dit authentiek aandoende drama wil de straatjongen zich bewijzen als man des huizes. Dus steelt hij een auto, of koffers uit treinen. Want dat doe je nu eenmaal als je groot bent.[2] 
    • Een celstraf ontlopen kost veel geld, dus schiet intussen ook haar vader te hulp, door te gokken op de duikkunsten van een eenzaam straatjongetje. Een derde verhaallijn lijkt luchtiger, maar ook daar ligt onheil op de loer: de twee geliefden komen niet uit dezelfde kaste.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 04 jan. 2018
  3. de Telegraaf FABIAN MELCHERS 06 aug. 2015
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be