knaap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knaap
enkelvoud meervoud
naamwoord knaap knapen
verkleinwoord knaapje knaapjes

Zelfstandig naamwoord

knaap m

  1. jongen, jongeman
    • Die knapen gedroegen zich weer eens als belhamels. 
  2. iets dat groot in zijn soort is, een kanjer
    • Hij had een knaap van een snoek aan de haak. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie