wittebroodsweken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wit·te·broods·we·ken
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - wittebroodsweken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wittebroodsweken mv

  1. de eerste paar weken na de voltrekking van een huwelijk
    • Zij brachten heel traditioneel hun wittebroodsweken in Niagara door. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen