huwelijkspartner

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hu·we·lijks·part·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huwelijkspartner huwelijkspartners
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huwelijkspartner m

  1. partner, man of vrouw, binnen een wettig huwelijk

Gangbaarheid