schijnhuwelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schijn·hu·we·lijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schijnhuwelijk schijnhuwelijken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schijnhuwelijk [1]

  1. een huwelijk waarbij de beide partijen niet aan de verplichtingen hebben voldaan (of van plan zijn te voldoen) die de wet aan een huwelijk stelt
    • Net zoals een poging tot een schijnhuwelijk, waar hij eens getuige van was. „Ik vond het al vreemd, want een jongen van 19 wilde met een vrouw van 33 trouwen. Ze zouden elkaar kennen via het schrijven van brieven. Later bleek dat het kinderen van dezelfde moeder waren, broer en zus dus. [2] 
    • Fiscalisten raden alleenstaande cliënten daarom wel eens aan om met hun erfgenamen te trouwen. Als de vriendschapsakte fiscale consequenties krijgt, kan dat hier ook een oplossing voor zijn. Misschien voelt het waarachtiger om je erfenis na te laten aan een geregistreerde vriend dan om er een schijnhuwelijk voor aan te gaan. [3] 
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Arjan te Bogt 05-maart-2016
  3. Volkskrant Maartje Duin 5 april 2015