driehoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Driehoek
Uitspraak
Woordafbreking
  • drie·hoek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘deel van plat vlak door drie lijnen ingesloten’ voor het eerst aangetroffen in 1351 [1]
  • samenstelling van  drie   en  hoek   [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord driehoek driehoeken
verkleinwoord driehoekje driehoekjes

Zelfstandig naamwoord

driehoek m

  1. (wiskunde) tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen