plek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plek plekken
verkleinwoord plekje plekjes

Zelfstandig naamwoord

plek v/m

  1. plaats, positie
    • De plek van het festival was een maand vooraf al omheind met hekken. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
plekken

plek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plekken
    • Ik plek. 
  2. gebiedende wijs van plekken
    • Plek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plekken
    • Plek je?