plek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plek plekken
verkleinwoord plekje plekjes

Zelfstandig naamwoord

plek v/m

  1. plaats, positie
    De plek van het festival was een maand vooraf al omheind met hekken.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl