zithoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

zithoek met twee lage damesstoelen en twee hogere herenstoelen
Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·hoek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zithoek zithoeken
verkleinwoord zithoekje zithoekjes

Zelfstandig naamwoord

zithoek m [1]

  1. deel van een kamer geschikt om gezellig bij elkaar te zitten en de meubels die in dat deel van de kamer staan
    • Het skelet is inmiddels af; Monné gaat voor door het houten frame. Beneden komen de badkamer, keuken en zithoek, boven is de slaapverdieping. „Ook de buitenkant wordt opgetrokken uit duurzame materialen. De wand wordt geïsoleerd met 30 centimeter cellulosevezel.” [2] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Gemma Venhuizen 16 februari 2017