Naar inhoud springen

coin

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
coin coins

coin

  1. (numismatiek) geldstuk, munt, muntstuk
vervoeging
onbepaalde wijs to  coin 
he/she/it  coins 
verleden tijd  coined 
voltooid
deelwoord
 coined 
onvoltooid
deelwoord
 coining 
gebiedende wijs  coin 

coin

  1. onovergankelijk, overgankelijk (numismatiek) munten [1], het slaan van geldstukken
  2. overgankelijk munten [2], het introduceren van een woord, een nieuwtje etc.






[1]
[3]
[4]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  coin     le coin     coins     les coins  

coin m

  1. hoek, uithoek: bijv. van kamer, huizenblok, voetbalveld, wereld etc.
  2. richting, streek: bijv. waaruit de wind waait
  3. (wiskunde): hoek, tussen lijnen en vlakken
  4. (techniek): wig, gereedschap om te kloven
    «Savez-vous ce que c’est que la torture ? Des coins de bois qu’on vous enfonce entre les jambes jusqu’à ce que les os éclatent!»[2]
    Weet je wel wat marteling is? Houten wiggen die ze op je benen duwen tot je botten verbrijzelen!
  5. (numismatiek): stempel, om munten/penningen te slaan
  6. (handel): ijkmerk, waarmerk, op gewichten, goud, zilver etc.

coin

  1. (dierengeluid) kwak (eend); het geluid van een eend
  1. coin (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994) op Wikipedia (fr) op de website cnrtl.fr op Wikipedia (fr).
  2. Bronlink Weblink bron “Les Trois Mousquetaires”, digitale editie op de Franse Wikisource van MM. Dufour et Mulat, 1849 (1844), p. 145