Naar inhoud springen

gas

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: gås, Gas, GAs, GAS
  • gas
  • [A]: In de betekenis van ‘stof in luchtvormige toestand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1648 [1]
  1. voorgesteld door de Vlaamse arts en alchemist Van Helmont (1577-1644) naar analogie van het oorspronkelijk Griekse chaos.
  2. idem
  3. idem
  • [B]: uit het Middelnederlands gasse
enkelvoud meervoud
naamwoord gas gassen
verkleinwoord gasje gasjes

[A]hetgaso

  1. (natuurkunde), (thermodynamica) aggregatietoestand; stof met een veranderlijk volume die uit losse moleculen of atomen bestaat
    • Argon en helium zijn gassen bij kamertemperatuur. 
     De warmtestraling kan afkomstig zijn van jonge protosterren (sterren in wording), die omgeven worden door het stof en gas waaruit ze zijn ontstaan, maar het is ook mogelijk dat het heldere, geëvolueerde sterren betreft die schuilgaan achter een wolk van interstellair materiaal.[2]
     Dit zou het gevolg kunnen zijn van een - sterrenkundig gezien recente - ontmoeting met een ander stelsel, waarbij een extra hoeveelheid interstellair gas werd 'opgeveegd'.[2]
  2. (verwarming) gasvormige brandstof
    • Kook je op gas of op elektra? 
     Maar vlak voor de eruptie is het bij mij altijd zo geweest alsof iemand het gas onder de fluitketel uitdraait.[3]
     De kunst was om mijn basisgewicht (base weight) zo laag mogelijk te houden, het gewicht van alles dat ik droeg minus voedsel, water en gas.[4]
  3. (transport) de vluchtige brandstof die in een verbrandingsmotor ingespoten wordt
  • gas geven
een verbrandingsmotor sneller laten lopen
[5]
  1.  Vol gas schoot de auto weer weg.[6]
 Hoe meer gas oom Gjalt gaf, hoe dieper de auto in het zand wegzonk.[6]
vervoeging van
gassen

gas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gassen
    • Ik gas. 
  2. gebiedende wijs van gassen
    • Gas! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gassen
    • Gas je? 
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord gas gassen
verkleinwoord gasje gasjes

[B]degasv/m

  1. (verouderd) steeg of straat
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  1. "gas" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789464043075
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Warning Je probeert {{citeer meta}} direct aan te roepen of je gebruikt een onbekend type citaat. (Als je op dit pedaal drukt, geef je gas.) Lees de sjablooninformatie of zoek hulp in de kroeg.
  6. 1 2
    Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
1 enkelvoud meervoud
naamwoord gas gaste
2 enkelvoud meervoud
naamwoord gas gasse

gas

  1. gast
    «Hy was 'n gas in die viersterhotel.»
    Hij was een gast in het viersterrenhotel.
  2. gas
    «Stikstof en suurstof is gasse
    Stikstof en zuurstof zijn gassen.
enkelvoud meervoud
gas gases
ook: gasses

gas

  1. benzine
  2. gas
  • gas

gas m

  1. gas