chaos
Uiterlijk

- cha·os
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘wanorde’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1]
- van het Oudgrieks χάος [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | chaos | - |
| verkleinwoord | chaosje | chaosjes |
de chaos m
- grote wanorde, ongeordendheid, verwarring
- De stroomstoring zorgde voor chaos. [3]
- ▸ Je kon niet in de stad wonen zonder het verschil te zien tussen straten waar rust heerste en die waar chaos heerste, een schurftige hond die door de goten zwierf, kinderen in lompen, een keurige haag, vitrage die even bewoog.[4]
- ▸ Waarschijnlijk is het mijn vader niet gelukt om het bij Peggy Guggenheim te krijgen en heeft mijn moeder het in de chaos van hun vertrek uit Spanje meegenomen naar Engeland.[4]
- (wiskunde) praktisch onvoorspelbaarheid van uitkomsten die in sommige ingewikkelde stelsels van vaste rekenregels ontstaat door minieme verschillen in beginwaarden
- Chaos is het effect van exponentieel toenemende onzekerheid.
1. grote wanorde
|
|
- Het woord chaos staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "chaos" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "chaos" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ chaos op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- IPA: /keɪɒs/
- Afkomstig van het Oudgrieks χάος.
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| chaos | chaoses |
chaos
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| chaos | le chaos | chaos | les chaos |
chaos m
- chaos [1]; wanorde; verwarring
- (wiskunde) chaos [2]
chaos m
- IPA: /xaɔs/
- cha·os
- Afgeleid van het Griekse χάος
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | chaos | chaosy |
| genitief | chaosu | chaosů |
| datief | chaosu | chaosům |
| accusatief | chaos | chaosy |
| vocatief | chaose | chaosy |
| locatief | chaosu | chaosech |
| instrumentalis | chaosem | chaosy |
- Internetová jazyková příručka - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Slovník spisovného jazyka českého - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Příruční slovník jazyka českého - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Česko-německý slovník Fr. Št. Kotta - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wiskunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 5
- Woorden in het Engels met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 5
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Wiskunde in het Frans
- Woorden in het Slowaaks
- Zelfstandig naamwoord in het Slowaaks
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Onbezield mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch