gasbom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gas·bom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gasbom gasbommen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gasbom v/m

  1. cilinder gevuld met brandbaar gas
    • In Parijs laten militanten van de GIA een gasbom ontploffen in de metro Saint-Michel, wegens de Franse steun aan de Algerijnse regering. Er vallen acht doden.[2] 
  2. bom met gasvormig chemisch wapen
    • De Belgische ontmijningsdienst had op zijn basis in de West-Vlaamse gemeente Langemark-Poelkapelle een installatie om achtergebleven oorlogsmunitie te ontmantelen die behalve springstof ook andere giftige componenten bevat, zoals bijvoorbeeld fosgeengas. Die installatie ging in augustus 2012 stuk toen er een gasbom in ontplofte. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen