gaste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gas·te
Woordherkomst en -opbouw
  • [zelfstandig naamwoord] gast met het achtervoegsel -e
  • [werkwoord] gas met de uitgang -te
enkelvoud meervoud
naamwoord gaste gasten
(gastes) *
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gaste v

  1. vrouw die ergens op bezoek is of logeert
Opmerkingen
  • De Woordenlijst Nederlandse Taal geeft het meervoud gasten, maar de Algemene Nederlandse Spraakkunst geeft als regel dat woorden met het Nederlandse achtervoegsel -e hun meervoud met de uitgang -s vormen.[1]

Werkwoord

vervoeging van
gassen

gaste

  1. enkelvoud verleden tijd van gassen
    • Ik gaste. 
    • Jij gaste. 
    • Hij, zij, het gaste. 

Werkwoord

vervoeging van
gasten

gaste

  1. aanvoegende wijs van gasten

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
gastar

gaste

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van gastar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van gastar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van gastar
vervoeging van
gastarse

gaste

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van gastarse
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van gastarse
  3. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van gastarse