wiek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wiek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wiek wieken
verkleinwoord wiekje wiekjes

Zelfstandig naamwoord

wiek v/m

  1. een vleugel van een windmolen
    De wieken van de molen kwamen in beweging.
  2. een pit van een lamp
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
wieken

wiek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieken
    Ik wiek.
  2. gebiedende wijs van wieken
    Wiek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieken
    Wiek je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl