wiek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wiek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wiek wieken
verkleinwoord wiekje wiekjes

Zelfstandig naamwoord

wiek v/m

  1. een vleugel van een windmolen
    • De wieken van de molen kwamen in beweging. 
  2. een pit van een lamp
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wieken

wiek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieken
    • Ik wiek. 
  2. gebiedende wijs van wieken
    • Wiek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieken
    • Wiek je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl