wiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wiek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vleugel’ voor het eerst aangetroffen in 1561 [1] [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord wiek wieken
verkleinwoord wiekje wiekjes

Zelfstandig naamwoord

wiek v/m

  1. een vleugel van een windmolen
    • De wieken van de molen kwamen in beweging. 
  2. een pit van een lamp
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wieken

wiek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieken
    • Ik wiek. 
  2. gebiedende wijs van wieken
    • Wiek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieken
    • Wiek je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen