dik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dik
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Middelnederlandse dicke met dezelfde betekenis, van het Germaanse *thekuz. Vergelijk het Oudhoogduitse dicki, het Angelsaksische þicce en het Oudnoorse þykkr, þjokkr[1]. Buiten het Germaans mogelijk alleen in Keltisch (Oudierse tiug) bekend.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dik dikker dikst
verbogen dikke dikkere dikste
partitief diks dikkers -

Bijvoeglijk naamwoord

dik

  1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    Zij had erg dikke benen.
  2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    Dat beestje was een vinger dik.
  3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    Die jongen is echt veel te dik.
  4. ruim.
    Het zat er dik in dat hij dat zou doen.
  5. hecht.
    Zij zijn echt dikke vrienden!
  6. nauw aaneengesloten
    Er was gisteren erg dikke mist, waardoor we niets meer zagen.
  7. weinig vloeibaar
    Hij hoestte allemaal dik slijm op.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4] Hij is dik twintig.
  • Een dikke kus
Vertalingen

Bijwoord

dik

  1. op dikke wijze
    Hij smeerde zich dik met zonnebrandolie in.
  2. overdrachtelijk in grote mate
    Hij was daar dik tevreden mee.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892