dubbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘telwoord: tweevoudig’ voor het eerst aangetroffen in 1278 [1]
  • [2]
stellend
onverbogen dubbel
verbogen dubbele
partitief dubbels

Bijvoeglijk naamwoord

dubbel [3]

  1. tweemaal voorhanden
    • Hij kreeg een dubbele uitkering. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Dubbel liggen
Hevig lachen.[4]
  • met dubbel krijt schrijven
teveel in rekening brengen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord dubbel dubbels
verkleinwoord dubbeltje dubbeltjes

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

dubbel [5]

  1. m persoon die in bepaalde scenes een acteur vervangt
  2. o dubbelspel bij de tennissport
  3. m/o soort bier
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
dubbelen

dubbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dubbelen
    • Ik dubbel. 
  2. gebiedende wijs van dubbelen
    • Dubbel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dubbelen
    • Dubbel je? 

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie