dubbel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dub·bel
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen dubbel
verbogen dubbele

Bijvoeglijk naamwoord

dubbel [2]

  1. tweemaal voorhanden
    Hij kreeg een dubbele uitkering.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Dubbel liggen.

  • Hevig lachen.[3]
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord dubbel dubbels
verkleinwoord dubbeltje dubbeltjes

Zelfstandig naamwoord

Niet in de woordenlijst van de Taalunie (als zelfstandig naamwoord)
dubbel [4]

  1. m persoon die in bepaalde scenes een acteur vervangt
  2. o dubbelspel bij de tennissport
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
dubbelen

dubbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dubbelen
    Ik dubbel.
  2. gebiedende wijs van dubbelen
    Dubbel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dubbelen
    Dubbel je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. http://books.google.de/books?id=mmhHk5jJDwUC&lpg=PA54&ots=v2b7IQzUMl&dq=%22dubbel%20liggen%22%20lachen&pg=PA54#v=onepage&q=%22dubbel%20liggen%22%20lachen&f=false
  4. Woordenboek der Nederlandse taal

Meer informatie