Naar inhoud springen

dikwijls

Uit WikiWoordenboek
  • dik·wijls

dikwijls

  1. vele malen
     Elke dag kwam er een boodschapper naar het huis vanaf Pompeius' landgoed in de Albaanse heuvels met een bericht dat een nieuwe jammerklacht of vraag of opdracht bevatte ('onze tweede Cincinnatus lijkt niet veel tijd achter de ploeg door te brengen, ' merkte Cicero met een ironisch lachje op), en elke dag dicteerde de senator me een sussend antwoord, waarin hij dikwijls de namen noemde van mannen van wie het nuttig zou kunnen zijn als Pompeius ze voor een gesprek ontbood.[4]
     Door het tijdsverschil kwam het er dikwijls op neer dat ik ’s ochtends belde en met mijn neus in het avondeten van de familie viel.[5]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]