dikheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

de dikheid van deze baby is niet gezond
Uitspraak
Woordafbreking
  • dik·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dikheid dikheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dikheid v [2]

  1. het heel fors van omvang zijn
    • Kom daar nou nog maar eens om! Een Beier met ’328’ achter op de kofferklep veinst zijn dikheid. Want hij heeft geen prachtig gebalanceerd draaiende 2,8 liter zescilinder lijnmotor onder de kap, maar gewoon een petieterig 2.0-turbovierpittertje. [3] 
  2. het hebben van overgewicht
    • Boehoe, je moet naar het lichaam van een dikke vrouw kijken. Je realiseert je toch wel dat we in een wereld leven gevuld met agressie en oppressie, hè? Word daar eens boos over en laat mijn dikheid erbuiten." [4] 
    • De film opent als een kleurrijke ode aan de dikheid. Omringd door vrolijk smikkelende smulpapen doet Dik Trom mee aan een kampioenschap 'bommetje springen', dat glansrijk door hem wordt gewonnen. Dan krijgt pa Trom - door Marcel Musters met goesting vertolkt - een eigen restaurant. [5] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen