dick

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

dick

  1. dik, omvangrijk

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 31 augustus 2021 Weblink bron dick in: Wolfgang Pfeifer et al. Etymologisches Wörterbuch des Deutschen (1993), digitalisierte und von Wolfgang Pfeifer überarbeitete Version im Digitalen Wörterbuch der deutschen Sprache op dwds.de

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afgeleid van de vleivorm van de eigennaam Richard
  • [B] Verkorting van detective

Zelfstandig naamwoord

[A] dick

  1. (verouderd) (metonymisch) een mannelijke persoon
  2. (vulgair) (metonymisch) lul, penis
  3. (pejoratief) (metonymisch) een onaangename man, eikel
  4. (vulgair) (figuurlijk) niets, geen bal
  5. (vulgair) (figuurlijk) seks met een man

[B] dick

  1. (verouderd) (informeel) (VS) privé speurder, detective

Werkwoord

[A] dick

  1. overgankelijk (vulgair) piepelen, kleineren
  2. overgankelijk (vulgair) (gezegd van mannen) seks hebben met
Uitdrukkingen en gezegden
  • dick around
rondhangen zonder iets te doen, lummelen
  • dick down
seks hebben
  • dick up
verpesten