dijkleger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dijk·le·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dijkleger dijklegers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dijkleger o

  1. (waterbeheer) gezamenlijke arbeiders die lang een dijk worden ingezet als er gevaar voor een doorbraak is
     Deze keer liepen sommige dijken schade op, maar dankzij het doortastende optreden van het dijkleger konden gaten worden gedicht met riet, rijsbeslag, zandzakken en asfalt[2]
      Ende alsoo de dycklegers somwylen eenige dagen aan den anderen zyn duurende, en sommige huysluyden gewent zyn den anderen te verlossen over den anderen, ofte den derden dag, soo sullen niet alleen de Kosters gehouden zyn alle morgen ten seven uuren de klocke op den dag van verlossinge te slaan, nemaar oock de Gerechtsboden de wederpartye daarvan te waarschouwen, totter tyd toe het dykleger sal zyn geëyndigt.[3]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 12-112-2021 Weblink bron Opnieuw storm (24 december 1954) in: Provinciale Zeeuwse Courant op Wikipedia, jnr.304 (24 december 2004), blz. 4 kol. 7
  3. Bronlink geraadpleegd op 13 december 2021 Weblink bron Johan de Goyer Poincten en Articulen beraamt by de Heeren Dykgraaf ende Heemraden van den Leckendyk bovensdams (2 december 1658) in: Johan van de Water Groot placaatboek vervattende alle de placaten, ordonnantien en edicten der Edele Mogende Heeren Staten 's lands van Utrecht (…). Deel 2 (1729), Jacob van Poolsum, Utrecht, p. 86 kol. 2 punt XVII