bandijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·dijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bandijk bandijken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bandijk m

  1. (waterbeheer) rivierdijk, geschikt om de hoogste waterstanden bij open rivier te keren
     In drie weken verzamelden drie inwoonsters van Voorst 2300 handtekeningen tegen verzwaring van de Veluwse bandijk. Onder druk van natuurbeschermers en omwonenden zijn twee alternatieve dijktracés ter tafel gekomen, die beide het landschap zullen onaanvaardbaar aantasten.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
16 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bandijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 11-12-2021 Weblink bron Henk van Halm “De bomendijk, het bedreigde hart van landgoed De Poll”, jrg. 50 nr. 14480 (14 januari 1992), Trouw, p. 6
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be