dromer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dro·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dromer dromers
verkleinwoord dromertje dromertjes

Zelfstandig naamwoord

dromer m

  1. een persoon (man) die droomt.
  2. een idealist, een niet realistisch persoon.
    • Hij is meer een dromer dan een aanpakker. 
  3. (waterstaat) Een dromerdijk of dromer is een extra dijk voor het geval de slaperdijk geen stand houdt. Het is de laatste in het rijtje waker - slaper - dromer.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.