binnendijks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·dijks
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen binnendijks
verbogen binnendijkse
partitief binnendijks

Bijvoeglijk naamwoord

binnendijks

  1. behorende tot het door de dijk beveiligde gebied
    • De binnendijkse ligging van het huis gaf een gevoel van veiligheid. 
Antoniemen

Gangbaarheid