achterdijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Achterdijk


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·dijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterdijk achterdijken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

achterdijk m

  1. (waterbeheer) tweede waterkering als extra bescherming tegen overstroming wanneer een dichter bij het open water gelegen evenwijdig lopende waterkering doorbroken of overstroomd raakt
     Het systeem van dijkaanleg bestond uit het verhogen c.q. versterken van de langs de rivier gelegen oeverwalgronden en de aanleg van dwarsdijken (sytwenden) haaks op de oeverwal of rivierdijk en van achterdijken (beringen) die tezamen het water uit de kommen moesten weren.[3]
      Bij inpoldering van een vóórliggend schor werden de bedijkers door den Soeverein gemachtigd den thans nutteloozen achterdijk in bezit te nemen en te slechten.[4]
Synoniemen
Antoniemen


Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. achterdijk op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 22 januari 2020 Weblink bron A.G. Schulte op Wikipedia “Het Rijk van Nijmegen. Oostelijk gedeelte en de Duffelt.” (1983), Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist, ISBN 90 12 04267 4, p. 4
  4. Bronlink geraadpleegd op 22 januari 2020 Weblink bron R.P.J. Tutein Nolthenius Worstelend Zeeland. in: De Gids., jrg. 63 deel 2 (1899), P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam, p. 8 n. 1