kadijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Kadijk
de Tiendweg bij Langerak, gesitueerd op en kadijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·dijk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kadijk kadijken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kadijk m

  1. (waterbeheer) kade langs een wetering
      Wij gelooven, dat men niets beter kon doen, dan de rivierdijken geheel te slechten; alleen kon men een' zeer lagen kadijk tegen het zomerwater, wanneer hetzelve, gelijk wel eens gebeurt, door regen als anderzins zwelt, laten bestaan.[2]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 17-12-2021 Weblink bron H.J. van der Wijck Over de Nederlandsche Rivieren (1832) in: Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak,, nr. 5, Van Dijk, blz 201