bit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

bit [1]
Uitspraak
Woordafbreking
  • bit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bit bitten
verkleinwoord bitje bitjes

Zelfstandig naamwoord

bit o

  1. (paardrijden) een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
    • De ruiter trok aan het bit om zijn rijdier van richting te doen veranderen. 
  2. (sport) een gebitsbeschermer
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord bit bits
verkleinwoord bitje bitje

Zelfstandig naamwoord

bit m

  1. (informatica) in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
    • De afkorting voor bit is een kleine b. 
Afkorting
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Frans

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  bit     le bit     bits     les bits  

Zelfstandig naamwoord

bit m

  1. (informatica) bit


Grieks

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Engelse bit

Zelfstandig naamwoord

bit o

  1. (informatica) bit
Verbuiging
Synoniemen


Nynorsk

Woordafbreking
  • bit

Werkwoord

bit

  1. tegenwoordige tijd van bite
Synoniemen


Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bit m onbezield

  1. (informatica) bit
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Paroniemen
Verwante begrippen