beteugelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·teu·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beteugelen
beteugelde
beteugeld
zwak -d volledig

Werkwoord

beteugelen

  1. overgankelijk in bedwang houden, intomen, bedwingen
    • Hij volgt therapie om zijn agressie te beteugelen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.