nummer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • num·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nummer nummers
verkleinwoord nummertje nummertjes

Zelfstandig naamwoord

nummer o

  1. een aanduiding met een getal
  2. lied
    • Op zijn nieuwe album staat voor het eerst een Engelstalig nummer. 
Afkorting
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
nummeren

nummer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nummeren
    • Ik nummer. 
  2. gebiedende wijs van nummeren
    • Nummer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nummeren
    • Nummer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl