zijzelf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • IPA: /zɛɪ'zɛlf/
Woordafbreking
  • zij·zelf

Persoonlijk voornaamwoord

zijzelf

  1. versterkte vorm van zij v enk
    Zijzelf is hier nooit geweest.
  2. versterkte vorm van zij mv
    Zijzelf hebben daar niet aan deelgenomen.