stam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stam
enkelvoud meervoud
naamwoord stam stammen
verkleinwoord stammetje stammetjes

Zelfstandig naamwoord

stam m

  1. (biologie) een stengel, de dikke houtige stam van een plant
  2. (biologie) een boomstam, het deel van de boom tussen de wortels en de kruin
  3. (genealogie) geslacht, familielijn
  4. (antropologie) een volksstam, een samenlevingsvorm bestaande uit groep meer en minder verwante mensen, die meestal minder technologisch gevorderd is
  5. (biologie) een grote ader die in kleinere aderen vertakt
  6. (taalkunde) een onvervoegde of onverbogen woordvorm
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
stammen

stam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stammen
    Ik stam.
  2. gebiedende wijs van stammen
    Stam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stammen
    Stam je?


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

stam g

  1. boomstam
  2. stam (samenlevingsvorm)
Vervoeging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen