hengel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hen·gel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hengel | hengels |
| verkleinwoord | hengeltje | hengeltjes |
Zelfstandig naamwoord
hengel m
- stok of buis waarmee een visdraad kan worden geworpen en boven het wateropervlak kan gehouden worden
- stok of buis waarmee een microfoon op de optimale plaats kan gehouden worden
Synoniemen
- boom (uit het Engels)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. visserswerktuig
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hengelen |
hengel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
- Ik hengel.
- gebiedende wijs van hengelen
- Hengel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
- Hengel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.