hengel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Hengel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hen·gel
enkelvoud meervoud
naamwoord hengel hengels
verkleinwoord hengeltje hengeltjes

Zelfstandig naamwoord

hengel m

  1. stok of buis waarmee een visdraad kan worden geworpen en boven het wateropervlak kan gehouden worden
  2. stok of buis waarmee een microfoon op de optimale plaats kan gehouden worden
Synoniemen
  • boom (uit het Engels)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hengelen

hengel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
    Ik hengel.
  2. gebiedende wijs van hengelen
    Hengel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hengelen
    Hengel je?

Meer informatie