bom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bom
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Latijnse woord bombus (gedreun).
  • [B] Samentrekking van bewust ongehuwde moeder.
  • [C] Afgeleid van bodemschuit.
  • [D] Herkomst onduidelijk.
[A], [B],
[C] + [D]
enkelvoud meervoud
naamwoord bom bommen
verkleinwoord bommetje bommetjes

Zelfstandig naamwoord

[A] bom v/m

  1. een vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
    Er is recentelijk weer een bom op een Pakistaanse stad gegooid.
  2. (figuurlijk) primeur, sensatie
    De bom barstte.
Hyponiemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: het nieuws sloeg in als een bom
iedereen was er verbijsterd over
  • [2]: na een dag barstte de bom
toen konden ze zich niet langer inhouden
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

[B] bom v

  1. bewust ongehuwde moeder
Synoniemen

Niet in de woordenlijst van de Taalunie

Zelfstandig naamwoord

[C] bom v

  1. (scheepvaart) vissersboot

Niet in de woordenlijst van de Taalunie

Zelfstandig naamwoord

[D] bom v

  1. stop van een vat
Synoniemen
Vertalingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • bom
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bom

  1. (militair) bom, vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bom
Naar frequentie 6863

Zelfstandig naamwoord

bom m

  1. misser
Verbuiging



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bom
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bom     bommen     bommar     bommane  

Zelfstandig naamwoord

bom m

  1. misser


Portugees

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk     bom     bons  
  vrouwelijk     boa     boas  

Bijvoeglijk naamwoord

bom

  1. goed
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen