zeil
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zeil | zeilen |
| verkleinwoord | zeiltje | zeiltjes |
Woordafbreking
- zeil
Zelfstandig naamwoord
zeil o
- doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen.
- het geheel van alle zeilen van een schip.
- vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag (b.v. linoleum).
- doek voor diverse doeleinden (afdekken).
- schip (alleen in de uitdrukking: een vloot van x zeilen).
Vertalingen
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
4.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
- zeilberging, zeilbewijs, zeilboot, zeilcanadees, zeilclub, zeilcursus, zeildoek, zeildoft, zeilelger, zeiler, zeiljacht, zeilkamp, zeilkano, zeilkar, zeilkast, zeilkiel, zeilkoers, zeilkooi, zeilkous, zeillat, zeilletter, zeilmaker, zeilmakerij, zeilnummer, zeiloppervlak, zeilplaat, zeilplan, zeilplank, zeilpunt, zeilschip, zeilschool, zeilsport, zeilster, zeilstreep, zeiltocht, zeilvaardigheidsbewijs, zeilvaartuig, zeilval, zeilvangers, zeilvereniging, zeilvermogen, zeilvlieger, zeilvenster, zeilwagen, zeilwedstrijd, zeilwerk, zeilwherry, zeilwind
- bezaanzeil, brikzeil, dekzeil, emmerzeil, grootzeil, grootstengestagzeil, jonkzeil, lijzeil, loggerzeil, schoenerzeil, topzeil, voorstengestagzeil, waterzeil
- zeilklaar, zeilvaardig, zeilree
- zeilwrijver
- zeiloor
- zeildoeks
- zeilen, zeilvliegen
Spreekwoorden
- zeil hijsen, zetten
- het zeil de mast in omhoog halen
- zeil strijken
- het zeil uit de mast weer omlaag halen
- zeil in top zetten
- het zeil helemaal naar boven hijsen
- veel zeil voeren
- met veel zeilen gehesen varen
- alle zeilen bijzetten
- alles uit de kast halen om het alsnog te halen
- met volle zeilen
- alle zeilen gehesen
- het zeil reven
- het zeiloppervlak verminderen
- het zeil trimmen
- het zeil in optimale stand zetten
- onder zeil
- letterlijk: zeilend
- figuurlijk: slapend
- een oogje in het zeil houden
- bewaken, toezien op
- met de zeilen voor de mast liggen
- helemaal klaar staan
- met een nat zeil thuis komen
- ondanks tegenwind (tegenwerking) toch bij het doel aankomen
- met opgestoken zeilen
- driftig
- Onder een staand zeil is het goed roeien
- naast een vast inkomen met wat klusjes wat bijverdienen om goed rond te kunnen komen
- Een vloot van twintig zeilen
- een vloot van twintig schepen
Werkwoord
| vervoeging van |
| zeilen |
zeil