stamboom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stam·boom
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stamboom | stambomen |
| verkleinwoord | stamboompje | stamboompjes |
Zelfstandig naamwoord
stamboom m
- boom van een geslacht, d.i. het geslacht vergeleken bij een boom, waarvan de stam zich telkens meer vertakt
- stamboom van het Huis van Oranje.
- tekening die een boom voorstelt, en waarin de leden van een geslacht in hun verschillende graden van verwantschap worden vermeld
- Een stamboom van zijn familie opmaken.
- boom met rechtopgaande stam
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.