giek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- giek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | giek | gieken |
| verkleinwoord | giekje | giekjes |
Zelfstandig naamwoord
giek m
- (scheepvaart) rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
- boom van een kraan of graafmachine
- bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- de giek komt over
- de giek gaat van de ene naar de andere kant van de boot (bij gijpen of overstag gaan)
Vertalingen
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | giek | gieke |
Zelfstandig naamwoord
giek
- (scheepvaart) klein soort roeiboot
- (scheepvaart) sloep, bootje dat mensen van de wal naar het schip brengt