giek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • giek
enkelvoud meervoud
naamwoord giek gieken
verkleinwoord giekje giekjes

Zelfstandig naamwoord

giek m

  1. (scheepvaart) rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
  2. boom van een kraan of graafmachine
  3. bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • de giek komt over
de giek gaat van de ene naar de andere kant van de boot (bij gijpen of overstag gaan)
Vertalingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord giek gieke

Zelfstandig naamwoord

giek

  1. (scheepvaart) klein soort roeiboot
  2. (scheepvaart) sloep, bootje dat mensen van de wal naar het schip brengt