zondagsrijder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·dags·rij·der
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling van  zondag  en  rijder  met het invoegsel -s-  . De benaming insinueert dat zo'n chauffeur weinig rijervaring heeft, omdat hij/zij enkel zou rijden op vrije dagen.
enkelvoud meervoud
naamwoord zondagsrijder zondagsrijders
verkleinwoord zondagsrijdertje zondagsrijdertjes

Zelfstandig naamwoord

zondagsrijder m

  1. weggebruiker die een vervoermiddel (voornamelijk auto, maar ook bijvoorbeeld paard, bromfiets) met een kennelijk zo gebrekkige rijtechniek gebruikt, dat het erop lijkt alsof hij/zij alleen op vrije dagen voor het plezier wel eens een rustig ritje maakt en verder geen rijervaring in het wegverkeer opbouwt
    • Die zondagsrijder bleef de hele tijd onnodig links rijden. 

Gangbaarheid