binnenwiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·wiel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenwiel binnenwielen
verkleinwoord binnenwieltje binnenwieltjes

Zelfstandig naamwoord

binnenwiel o

  1. het wiel dat aan de binnenzijde ligt
    • Het binnenwiel had een lekke band. 
Vertalingen

Gangbaarheid