zijwiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kinderfiets met zijwieltjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·wiel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijwiel zijwielen
verkleinwoord zijwieltje zijwieltjes

Zelfstandig naamwoord

zijwiel o

  1. een van de twee wielen die naast het achterwiel van een fiets gemoteerd kan zijn met name voor kinderen, ouderen en invaliden
    • De oudste zou echt in paniek raken als hij op een fiets zonder zijwieltjes zou moeten fietsen. Dat durft hij echt niet. Ik moet eigenlijk met alles helpen. Zelfs de meest eenvoudige opdrachten als tandenpoetsen of haar wassen kunnen ze niet zelfstandig, of ze hebben er hulp bij nodig.”[1] 
    • "Maar toen ik er nog even over nadacht werden die kabels treurige symbolen van onzelfstandigheid. Hulpstukken voor een talent dat nooit volledig op zichzelf durfde te vertrouwen. Het leek ook alsof Van Gelder met dat hulpsysteem definitief afscheid nam van de topsport. Van een wereld waarin je voor publiek nooit van die zijwieltjes zou durven gebruiken.[2] 
    • Een ander oppert om helemaal geen wedstrijden meer op de openbare weg te houden: „De Formule-1 wedstrijden zijn toch ook op een circuit” Maar een ander grapt: „Niks aan de hand, het is gewoon een snelheidssport, bij de MotoGP gaan ze ook op hun plaat. Je kunt ze moeilijk zijwieltjes geven.”[3] 
    • En terwijl onze kinderen langzaam opgroeien, groeit onze zorgzaamheid mee: de hal stroomt vol met jasjes, tasjes, kniebeschermers, helmpjes, zijwieltjes… Op elke hoek van de tafel hebben we ‘anti-stoot’ hoekjes geplaatst.[4] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf DAPHNE VAN ROSSUM 10 nov. 2017
  2. de Telegraaf 21 aug. 2016
  3. de Telegraaf 06 apr. 2016
  4. de Telegraaf MARINA VAN DER WAL 06 jan. 2016