pet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: PET


Nederlands

Een pet met een opschrift dat verwijst naar het Engelse woord pet.
Uitspraak
Gelijkklinkende woorden
Woordafbreking
  • pet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in 1806 [1]
  • zn v/m: herkomst onzeker; mogelijk een verkorting van Frans toupet "kuif" [2]
  • zn o: (letterwoord) voor polyetheentereftalaat
  • bn waarschijnlijk afgeleid van  pet zn  "hoofddeksel", vanwege de sterke associatie met iemand van lagere maatschappelijke stand [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord pet petten
verkleinwoord petje petjes

Zelfstandig naamwoord

pet v/m

  1. (kleding) tamelijk plat hoofddeksel met een klep
    • De pet werd vroeger veel als hoofddeksel gedragen.[4] 
    • Een boer heeft vaak een pet op. 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord pet -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pet o

  1. (materiaalkunde) polyetheentereftalaat, soort lichte, doorschijnende kunststof
    • Een fles voor mineraal water is vaak van pet gemaakt. 
Synoniemen
Verwante begrippen
stellend
onverbogen pet
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

  1. (informeel) erg slecht, waardeloos
    • Het weer was vandaag pet. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Bretons

Uitspraak

Vragend telwoord

pet

  1. hoeveel


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
pet pets

Zelfstandig naamwoord

pet

  1. huisdier


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

pet m

  1. (spreektaal) wind, scheet
    «Ça pue ici! Qui a lâché un pet
    Het stinkt hier! Wie heeft er een scheet gelaten?
    «On tirerait plutôt un pet d'un âne mort.»
    Hij is zo gierig als de pest (letterlijk: Je zou eerder een scheet uit een dooie ezel kunnen trekken) [1]
  2. (spreektaal) joint, stickie
    «Quand le prof est entré dans la classe, y avait Yann à la fenêtre en train de fumer un gros pet
    Toen de leraar de klas binnenkwam, zat Yann bij het raam een grote joint te roken. [1]
  3. (spreektaal) gelazer
    «Lors de la manif, mes potes ont fait du pet
    Bij de demonstratie zorgden mijn maten voor veel ophef. [1]
  4. (spreektaal) beschadiging
    «Putain, y a un pet sur ma portière!»
    Er zit verdomme een kras op mijn wagen! [1]

Verwijzingen


Friulisch

Zelfstandig naamwoord

pet

  1. borst


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

pet

  1. pet