pétard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

pétard m

  1. knaller
  2. (spreektaal) rotje [1]
  3. (spreektaal) joint, stickie
    «Quand le prof est entré dans la classe, y avait Yann à la fenêtre en train de fumer un gros pétard
    Toen de leraar de klas binnenkwam, zat Yann bij het raam een grote joint te roken. [1]
  4. (spreektaal) scoop, nieuwtje
    «Cette semaine, le Canard Enchaîné a encore lancé un pétard
    Deze week heeft le Canard Enchaîné alwéér een opzienbarend nieuwtje. [1]
  5. (spreektaal) herrie, kabaal
    «Pendant la manif, il va certainement y avoir du pétard
    Bij die demonstratie gaan ze vast en zeker heibel trappen. [1]
  6. (spreektaal) revolver, blaffer
    «Mon voisin, c’est un ouf, il se balade avec un pétard dans la poche.»
    Mijn buurman is gek, hij loopt rond met een blaffer in zijn zak. [1]
  7. (spreektaal) gat, kont
    «T’as vu le pétard d'cette gonzesse?»
    Heb je de kont van die griet gezien? [1]

Verwijzingen